Het langverwachte boek over de veel te vroeg gestorven Sittardse taalkundige Willy Dols (1911-1944) is verschenen. Het is het verhaal over de veelbelovende jonge neerlandicus die aan het eind van de tweede wereldoorlog op bizarre wijze in Duitsland het leven verloor.
"Dit boek is geschreven als eerbetoon aan deze belangrijke taalkundige", schrijft auteur Lei Limpens. "Zoals door Toon Hermans in alle theaterzalen van Nederland en daarbuiten publiekelijk de lieflijkheid van zijn geboortestad Sittard is bezongen, zo heeft Willy Dols in de beslotenheid van zijn studeerkamer het unieke van de taal die hij in zijn geboortestad heeft leren spreken, voor de wetenschap vastgelegd. Daarmee heeft hij zich geschaard in de rij van Sittardse cultuurdragers."
U kunt een exemplaar van dit prachtige boek bestellen voor 19,95 euro en 3 euro verzendkosten. Informatie kunt u krijgen door een e-mail naar dit e-mailadres van de auteur te sturen.
8.8.11
Dode taalkundigen | Een boek over Willy Dols
31.1.11
Limburgs toneel | Valkenburgsche dilettanten
Het was nat bij de opening van het toneelseizoen in Valkenburg, op zaterdag 10 juni 1933. En dat is geen goed nieuws voor een openluchttheater, stelde de verslaggever van de Limburger Koerier met spijt vast. 'Het niet al te gunstige weer had, jammer genoeg, het bezoek ongunstig beïnvloed. Doch èn het goede doel èn de voortreffelijke vertolking, welke de Valkenburgsche dilettanten brachten, hadden het bordje : "Uitverkocht" gerechtvaardigd.'
De toneelspelers (dilettanten gebruikt de verslaggever in de betekenis van amateurs of liefhebbers, niet in de betekenis van knoeiers of prutsers) brachten twee stukken op de planken, De Brant va Bellend, geschreven door pastoor Frans Schleiden, en Et groeat loot, een 'spotblijspel' van Pierre Visschers euver en in 't Vallekebergersj.
De schrijvers genoten de nodige bekendheid in hun dagen, en waren, ieder op hun eigen manier, onderdeel van de Limburgse taal- en cultuurbeweging van voor de oorlog.
'Het was verrassend met welk een natuurlijke vlotheid en hartelijke toewijding door deze Valkenburgsche tooneellisten spontaan en veelal zelfs onbewust de verschillende rollen werden vertolkt. Zij lagen de speelsters en spelers, om het populair uit te drukken - taal en sfeer pasten geheel in hun eigen wezen.'
De reden dat meneer Mazjerang het stukje vergeeld krantenpapier even aan de vergetelheid ontrukt is vanwege de zinnen die daarna komen. Niet omdat hij het zelf zo zou zeggen of zelf zo voelt, nee hoor, maar omdat het een prachtige illustratie is van de manier van denken in Limburg in die dagen, en niet alleen in die dagen trouwens. Het zijn zinnen die je even op je tong moet laten rusten, genau wie e good sjtuksjke hervere kieës.
'De Limburgsche en de z.g. Hollandsche mentaliteit staan in menig opzicht lijnrecht tegenover elkander. Dat is logisch ook, en haast vanzelfsprekend. De eene wordt gedragen en verrijkt door de eeuwenoude levende stuwkracht van het katholicisme; aan de calvinistische tendenzen van de andere is zelf het katholieke volksdeel benoorden de Moerdijk niet ontkomen. Deze tegenstellingen te willen wegdoezelen of trachten te verheimelijken is dwaasheid en in hooge mate onredelijk. Laat de Limburger daarom zichzelf zijn, ook in het tooneel. De meeste echt-Hollandsche tooneelstukken kan hij niet spelen, en leert hij ook nooit spelen. Goddank!'
Dat Goddank, met een uitroepteken aan het eind, Goddank!, is prachtig aan het eind van die alinea. Het is geen berusting, die volgt op zijn eigen constatering dat een Limburger nooit een Hollander zal zijn op het tooneel, nee, het is een taalkundige explosie van vreugde. Het uitroepteken is een jubelteken. Goddank! dat Limburgers geen Hollandsche tooneelstukken kunnen spelen - in het Limburg van 77 jaar geleden.
7.2.10
Sjwatwitbild | Gedanke bei e veldkruuts

Noe d'r sjnei voet en de lóch obbenüts egaal gries is, giet 't genóg tied vuur gedanke. Zoeë sjteet 't gesjrieëve op e veldkruuts tussje Kier en Ekkelder. Dè Uch leef het mie es ich, haw dè gerös mie leef es mich. De mieëtste lüj vare d'r a vuurbei.
9.1.10
Column | D'r connaisseur
Inne Mesjtreechse vrunk va mich profileert zich d'r letste tied es connaisseur va wien. Vreuger dronk d'r koempel geweun beer, mè seër 't letste joar is dat wied ónger zie nivo. Heë orakelt noe d'r godganse daag uëver 't prettige boekètsje en de zeute aofdronk vaan dee fijne koot de Vontoe. Want dao preufste de zon in.
Gónt vier oet eëte, dan hat heë alling nog mè interesse vuur de wienkaat. Oi oi oi, loer ins: ze höbbe hij 'ne Fleurie oet 1995. Dat is e lekker wijnsje! Dat pak iech miech. En hij: 'ne sjieke sjattoo oet de Bordo, oet 1985!
Zetste 'm e glaas wien vuur, dan zit heë ieësj vief minute mit zieng naas in 't glaas. Op zie gezich kómme dan riezige rumpele. En 't ieësjte sjlüksjke dat heë noa binne lieët lope, verhoes óp zie mins tieën kier va mónkhook noa mónkhook vuurdat 't endlich doa kunt woeë 't heemhuurt.
En umdat d'r wien die ich han ummer oet de minder kusjpielige regione van d'r supermaat bei mich um d'r ek kunt, loert heë bei dat ganse proces ummer gans bedinkelich. 'Ah', zeët heë dan mit e gezich woeë de compassie van aaf lup, 'de höbs weer zoen Sjileens flèske in hoes gehaold, hè? Mapa Valley, iech preuf dat direk'. En deë 'í' in direk, sjprik heë dan onhuërbaar zach oet.
Um zieng leefde vuur 't vóch wetesjappelig te kónne óngerbouwe, hat heë zich ing imponerende zamlóng wienbeuker i hoes gehoald. Op jieëker bladzei sjtónt doa groeëte bilder va zaftige droeve mit tekste à la 'op de ranke flanken van de Côte de la Doctrine rijpen stevige, harde rode druiven in de zon'. Erotisering van de droef ving ich dat. Porno vuur wienleefhöbbers.
Um d'r vrunk ins richtig te teste houw ich letste week d'r wien oet ing flesj Mapa Valley in ing (leëg) flesj Château Pavie gedoa. 'Hm,' zag heë wie heë 't ieësjte sjlüksjke gans vuurzichtig preufde, 'de gees veuroet, dao kinne die zwoer koppijn-Sjilene vaan diech dus ech neet tege op'.
Ich, quasie nonchalant: 'Hei preufste de zón in, wah?'
Heë, in anger sfere: 'Hij preufste de Franse zon in.'
Ich: 'Dan drink nog mè ins good, want ich mót dich sjtrak get gans bezóngesj vertelle uëver die Franse zón van dich.'
Heë kós d'r neet mit lache.
Onze schrijvers | Wie leest er nog Frans Schleiden?
Wie kan er over een kleine vijftig jaar nog oude (lees: van voor de Tweede Wereldoorlog) boeken in het Limburgs lezen? Meneer Mazjerang vroeg het zich, ingesneeuwd en wel, af toen hij door een stapel vergeelde werken in het Limburgs dialect zat te bladeren. Niet dat meneer Mazjerang bang is dat er over een halve eeuw geen mensen meer zijn die de Limburgse taal spreken, maar al lezende in al die met veel zorg uitgegeven boeken realiseerde hij zich dat het begrijpen van ouder Limburgs voor veel mensen een steeds groter probleem wordt.
Niet de spelling is de boosdoener, maar het woordgebruik in die oude werken. Of beter gezegd: het woordgebruik nú is het probleem. De generaties die na pakweg 1960 zijn geboren, gebruiken steeds meer Nederlandse woorden en zinswendingen in hun Limburgs waardoor dat dialect steeds 'Nederlandser' wordt. Niet dat meneer Mazjerang daar onder gebukt gaat - zo gaan die dingen nu eenmaal - maar het lezen van een vooroorlogs boek wordt daardoor steeds lastiger.
Schleiden
En dat is jammer. Meneer Mazjerang realiseerde het zich toen hij zich een vrolijke weg baande door de in zijn boekenkast op de bovenste plank verzamelde werken van pastoor Frans Schleiden (1896-1955), het oud-bestuurslid van dialectvereniging Veldeke dat tot zijn dood een bescheiden maar mooi oeuvre in het dialect van Vijlen opbouwde. Het is geen wereldliteratuur, maar het is met veel gevoel voor humor geschreven en geeft een mooi inkijkje in de wereld van de generatie die rond 1920 volwassen of kind was.
In 1927 gaf drukkerij Van Aelst uit Maastricht het historische toneelstuk Der Brand va Bellent uit. In 1930 volgde De Koel in Lutterendal. In 1947 verscheen bij Uitgeverij Roosenboom in Heerlen Hazegerf, een bundeling korte verhalen die in de decennia daarvoor in het tijdschrift van Veldeke waren verschenen. In datzelfde jaar zag De hillige vaggen durp het levenslicht, over het leven in het fictieve dorp Lutterendal. Er zitten veel goed gelukte, beeldende scènes in, het woordgebruik en de manier waarop Schleiden speelt met zijn dialect maken bij vlagen grote indruk.
Limburgs
Dat is ook niet zo vreemd voor een man die gezegend was met een groot taalgevoel en gewend was in het Nederlands, Duits, Frans en Limburgs te preken. Zijn vader was Duitser, zijn moeder Bocholtze, hijzelf maakte zich als kapelaan het dialect van Vijlen meester. Dat hij in die taal ging schrijven - en niet in het Nederlands - was een bewuste keuze. Misschien deed hij dat onder invloed van het werk van Fritz Reuter (1810-1874), een dichter die in het Nederduits schreef en wiens verzamelde werken hij bezat. 
"Frans Schleiden behoort tot de generatie, welke 'in de kentering der tijden' van Limburg werd geboren", schreef de Limburgse taalkundige Winand Roukens na Schleidens dood in 1955. "Van kind af aan heeft hij de snelle overgang van dit vroegere wingewest als provincie van de landbouw tot provincie van de moderne industrie, van de meest moderne mijnbouw meegemaakt. Als jongeling, als man en vooral als priester beleefde de Limburger deze overgang met grote belangstelling en intensiteit, met groeiende bezorgdheid voor de gevolgen van dien voor land, mens en cultuur."
Sjampit
Om de lezer behulpzaam te zijn gaf Schleiden onder aan de pagina steeds een paar vertalingen van typische dialectwoorden die hij gebruikt. Een kollef is een tuin, legt Schleiden uit, een sjampit een veldwachter, en een pfaar een parochie. Van veel andere woorden neemt hij aan dat iedereen wel weet wat de betekenis is. En precies daar begint anno 2010 de schoen te wringen. Weet u wat een sjlond is, wat het werkwoord bène betekent, of wat sjoer betekent? En weten u neefjes en nichtjes dat ook?
Het is, kortom, tijd aan het worden voor een mooie heruitgave van oude Limburgse werken met naast het origineel een goede vertaling in het Nederlands. Om te voorkomen dat al die boeken, die zoveel vertellen over het leven van 100 of 75 jaar geleden, anders onbegrijpelijk worden voor de komende generaties. Doen we dat niet, dan wordt het werk van onze oude schrijvers voorgoed het domein van stofmijten en muizen.
Als toegift (en uitdaging) kunt u met uw muis doorklikken (voor leesbare letters!) op Schleidens verhaal Der nonk Macheel, in originele spelling, zoals dat in februari 1929 in de derde jaargang van het tijdschrift Veldeke verscheen.
